terug naar het overzicht
'DE DIGITALE SLUIZ'

De vis wordt duur betaald


aflevering 34 van 9 januari 2003

1. De zeemeermin (gedicht uit 1983)

't Was op een morgen, vroeg en koud - De wind woei uit het oosten – Dat zich een visser voor de sport – Door de eenzaamheid liet troosten – Hij zocht en vond de oude dijk – Die slapend lag te wachten – En wierp het aas vanaf het slijk – Verzonken in gedachten – Het water klotste onbesuisd – En sloeg kapot tegen de stenen – Een grote golf kwam aan geruisd – En spatte toch nog op zijn benen – Net wreef de man zijn ogen uit – De zoete slaap nog pas ontslopen –Toen plotseling een vreemd geluid – Hem op een vette buit deed hopen – Daar in het nat van schuim en wier – Had iets vergeefs het aas bewogen – Welk hongerig onderwaterdier – Zou hij aanschouwen mogen – Weer spartelde het daar bij de lijn – Een vinnige staartbeweging – De visser hield zijn adem in – Terwijl zijn hengel meeging – Dan sloeg hij met een harde ruk – De haak omhoog naar binnen – Hij zat zo vast en zeker vast – Nu kon de strijd beginnen – Maar welk een diersoort mocht het zijn – Die zulk een misbaar maakte – Er stond een spanning op de lijn – Waarvan zijn oude hengel kraakte – Doch hij was geen beginneling – Geen vis zou hem ooit vangen – Hij won de wrede worsteling – Met natte rug en rode wangen – Maar toen hij 't zweet van het gevecht – Zijn moede ogen uit kon vegen – Kwam er geen overwinningskreet – Een vloek slechts, half verzwegen – Want op het zand lag vlees noch vis – 't Was meer een wezen tussenin – Een woedend, bloedend schepseltje – De Zuyderzeemeermin – Nog voor hij haar had aangeraakt – Zag hij hoe oud ze wel moest zijn – Haar borsten waren plat en leeg – Haar staart was rimpelig en klein – Ze keek hem aan met zo een blik – Vol haat en wanhoop, pijn en leed – Dat het ondanks de grote schrik – Van deernis hem haast huilen deed – Haar mond was stuk, de bovenlip – Was uitgescheurd, dankzij de haak – Waaraan zij wild was voortgesleurd – Een uitermate nare zaak – Hij wist niet goed wat hij moest doen – En stond daar maar beschaamd en leeg – Tot zij zich van de haak ontdeed – En haar gemoed niet langer zweeg – Vervloekte dwaas, zie wat je doet – Met mij, met alles wat er leeft – Je bent ondankbaar en verspilt – Wat de natuur je dagelijks geeft – Je sloot mij op, maakte de zee – Tot een bedorven binnenmeer – Je dempte stukken van mijn wereld – Voor je eigen roem en eer – Je loosde afval en vergif – Je maakte herrie bovendien – Je stal de bodem graag en grif – Je wilt nog doorgaan ook misschien – Je denkt alleen maar aan jezelf – Je ziet geen schoonheid en natuur – Je wilt geen ruimte, stil en rustig – Je wilt een asfaltwegcultuur – Je bent een dwaas, stom, doof en blind – Je loopt verkeerd maar voelt je groot – Totdat je je verstand weer vindt – Vlakbij de schaduw van de dood – De visser was nu als verstijfd – Haar woorden hadden hem geraakt – Zij sprak nog: En als dit zo blijft – Denk dan niet dat je 't lang maakt – Tenslotte vond ook hij zijn woorden terug – En stotterend zelfs in 't begin – Vroeg hij haar: Zeg me, zeg me vlug – Wat moet ik doen, oh zeemeermin – Wat je moet doen ligt voor de hand – Je bent mijn boodschapper en tolk – Trek door het hele Nederland – En zeg het aan het ganse volk – Laat mij nu gaan, dan is het goed – Jou treft persoonlijk weinig blaam – Het gaat om wat de mensheid doet – Vertel het ze in vredesnaam – De man gaf haar zijn sterke hand – En hielp haar naar de golven toe – Zij zuchtte aan de waterkant – En voelde zich opeens heel moe – U bent zo oud, waar moet dat heen – Vroeg nog de visser ongerust – Weest niet bevreesd , antwoordde zij - Ik blijf altijd dicht bij de kust – Zij sloeg haar staartvin op en neer – En zwom vervolgens van hem weg –Nog eenmaal draaide zij zich om – En riep: Luister nu goed naar wat ik zeg – Mensen zullen altijd mensen blijven – Dus je staat hier niet alleen – En Muiden dat zal nooit beklijven – Waarna ze voorgoed verdween.
GK

2. Sterke Hein (gedicht uit 1973)

Sterke Hein kreeg niemand klein – Het land niet en het water niet – Vroeger niet en later niet
De wind niet en de tijd – Geen vrouw, geen jonge meid

Toch is Hein er niet meer – Het nieuwe Ijsselmeer is Hein allang vergeten
Een oude man, een oude vrouw – Zij zijn de enigen die het nog weten

Het was Heins eigen schuld – Van vissen nog zo vervuld – Toen in zijn oude dagen
Dat hij het toch ging wagen - Zijn netten waren immers steeds gevuld

Ik heb hem weg zien varen – Zoals zovele jaren – Maar met een klein verschil
Dat hij niet terug zou komen – Het noodlot of Gods wil

Toch is hij niet verdronken – In die felle storm – Zijn boot is afgedreven
En van de kou vergeven – Is hij aan land gekropen en heeft een stuk gelopen

Van ellende toen gestorven – Achter de Flevodijk
Zo vonden zijn getrouwen – Het oude visserslijk

GK


terug naar het overzicht

U kunt uw bijdrage zenden of opmerkingen kwijt door op de onderstaande envelop te klikken
U belandt dan op ons reactie formulier: